Translation by Maria van Daalen



Translation by Maria van Daalen


HET ENORME VAN WAT KWIJT IS

Contact

Noem de richting waarin het oog kijkt
de zichtlijn. Daar
waar het de oppervlakte aftast
            van het zichtbaar oprijzende
zonder verwijzing naar een veld van menselijke aanwezigheid,
niet wegkijken.
                                                Ik keek niet weg.

De neuronen pieken levendig. En de ramp
zal ook nog tot het einde toe voltrokken worden, tot de afwezigheid van                                                                                                                                    meerduidigheid,
een nieuwe reikwijdte aan voelen. Wakker gescheurd. Wat als
een man zijn huis binnenging en zijn hand rustte
tegen de muur en de muur
                                                bestond niet?

Kijk hoe je relatie met waarheid een spanning schept
die je verslapt hebt met compromissen.
                                                Ja, en hoe verder
weg, des te meer zag ik er de waarde van. Maar staan
waar de kruising zich voordoet, zoals herfsteiken knakken
                                                in licht van een meer, en zo
weerspiegeling dragend, stap verder naar binnen –
                                                           
                                                Nee, zei de stem, je slaat je
door een woud van pijn, onbegaanbaar, opgeschrokt, wolken die de bergrug
                                                                                                            omwikkelen
                                                en neerkomen in stroompjes,
blindheid die verwarring aanspreekt, in conflict met,
die verbanning tussen zelf en zelf uitmeet. Overdwars
aangestuurd. Niettemin begin je er te komen, te weten
                                                uit diepe aandrang
de essentiële ervaring van … de dreiging van ontbinding van … maar nog niet.
Er is iets anders
                                                dan de ritmes van afstand en aanwezigheid,
van grotere kwaliteit dan het stel kwaliteiten die omtrek bepalen en terrein
en lijden, waar oponthoud zo vaak
verkeerd wordt begrepen als een einder.

Is het woord voor een zinswending
niet ook zelf een zinswending?
                                                Iets werd mij gegeven als een cadeautje
en een spook werd aan me gehecht, zwanger
                                                van ambiguïteit.

En in de keel van taal,
en in de junivroege spreeuwenruzies

en in een paar kruimels in het bindwerk van een boek,
de stevige werkelijke stappen uit oneindig verdunde ervaring
die zeggen: Tong gaf ik je. Ogen.

Op elk moment in het traject kan het lichaam stilvallen. Herinner je je dit gedeelte?

Maar wie is het die spreekt
in het stralende, overmatige licht?



 

HET ENORME VAN WAT KWIJT IS

Besmetting

Van wie is het dringende stemmetje
vooruit, spring?

            Onder het nieuws moet je in slaap
gevallen zijn.

Nee, ik viel niet in slaap. Een elektrische zee werd ontdekt
op de maan van Neptunus.
            Dat heb je gedroomd.

Pek trekt blaren uit scheuren in de weg. Wanneer een slang zigzaggend oversteekt
branden zijn buikschubben dicht.
            Seconden scheiden geluid van flits
vibrerend in de buikige wolken.
Wat opwindend en leuk voordat de storm voorbij rolt
en zijn dreun meesleurt
            en de regen.

En nu rijst de naald uit het geluid van krekels
en vrienden breken af als een schoenveter. Er is een hoogtepunt van stilte
            precies pas voor welke
bedoeling ik zou willen toedelen. Koplampen zijn merg in het duister. Vleermuizen
proeven nectar uit maanbloemen/kamperfoelie.
Elke morgen het ik waarvan handelingen uitgaan: oppakken
uit het saliebed, een krant, staren
naar het huis van de buren, gedachteloos.

Toestemming om wat dan ook te vragen.
            Ingewilligd.

Heb ik het met praten uitgepist?            Nee, het sloeg je adem los.
Mijn vlees trok blaren en liet los. Waartoe?            Je zou
            je eigen ogen uit hebben willen krabben   
            als je maar niet zou worden afgeleid.
Was ik naar de rand toe gestruikeld
toen er iets gebeurde? Om wat te horen?             Een stemmetje dat aandringt –
Om nog net wat te zien?             Een kleur
            verdwijnt in zijn complement,

de dag doet de avondmouw aan. Lagen vangen afzetting
die bezinkt, indikt, verandert. De lange slaap
van diatomeeën die tot kwarts kristalliseren. Toch
blijft in korstige rots als een bandopname
            de herinnering van de oorspronkelijke
dynamo opgeslagen.
Op elk moment in het traject mag je je hand dichtvouwen.

Dat wilde ademen, voordat hij de kroon vormde,                        ben je vergeten?
Het ontsnappen van de wateren                        ben je vergeten?           

Stralende ondoorzichtigheid. Sprekende aarde. Waren we ooit niet
knus als tortels en samen wakker?
Maar iets heeft me weggesist.



 

 

HET ENORME VAN WAT KWIJT IS

Nabijheid

Oorspronkelijke dynamo: een restant in rots
van het paleomagnetische veld. IJzerkorrels
in magma uitgelijnd, richten de kern.
Maar hier in het flakkeren tussen
            uitbarstingen ben ik
onderwerp van een uiting zonder vast punt.

De bekerplant slikt een winterkoninkje in.
Elk stuk effen ruimte ligt over
een raakvlak Euclidische ruimte
            begiftigd met
gegroefde dimensies, gezwijmel en spanningen.
Ze rukt een nog steeds doorweekte krant uit de oven
en kijkt naar het weer: regen. Strijkt haar rok glad
            achter haar knieën

en we verlaten samen het huis zoals golven
zich gelijktijdig voortplanten, dicht opeen. De wieldop
weerspiegelt de natte hondekop
            en onze verwrongen lichamen
die naderen.

Zeggen: ik woon in de Straat van de [Xxx] kikkers.
Zeggen: putter op de distel! of:
bepaalde ganglioncellen raken opgewonden
            door netvlieskegeltjes.
De geur herkennen, vermengd met dennen-gekamde wind,
van slijm in de eigen neusgaten.

Schijnbare wereld, benadrukt het boek,
niet de enige. Of is dit fout als vertaling?

Zeggen: ik ben de troost van geloof kwijt
echter niet het streven naar verering,

om te staan waar de kruising zich voordoet.

HET ENORME VAN WAT KWIJT IS

Verschrikking

 

Voor de polsslag van zware kou, in zand
onder de bleke twijgen
van de vertakte heide
legt een aasvlieg haar eieren in de gleuf van de bek van een dode spreeuw.

Wie is toegankelijk voor angst? Schrik reflex:
            de weerzin
aan het moment van bestaan vooraf, een kramp
voordat zelf tot leven komt en het interval invult
met een perceptie die pijn heet, die het lichaam
            met misselijkheid bedreigt.
Een burgeroorlog pal voor me? Is deze honger anders dan die van anderen?
Ik kijk op naar de glimmende, zilverdonkere aarde-omranding:
het dreigen van stapelwolk, prijsgegeven
liefzijn, haperend meet schemer. Omlaag.

Was het onbetekenend voordat
ik mijn verrukkelijke aandacht erover boog?

HET ENORME VAN WAT KWIJT IS

Ontvlamd

 

Weken na de dienst openen ze een brief.

Zou je alsjeblieft willen opschrijven wat je van hem weet en of hij ooit over mij sprak?

Het teken van een poging, het gevoel van en en maar. Als een hert
ook maar één ziek blad eet, beginnen bek en darmen te zweren en laten los.
De uitkijk taant, maar de wereld duurt, een dans van deeltjes
            die in zichzelf terugvouwen.
Een suizende kegel van blauw Cherenkov licht.

Wat bevat meer dan het kan?
            Niet troosten. Verbazing,
bloedverdunnend. Tongen wurmen zich terug
van droge lippen. De woestijn gloeit
door fosforiserende paddestoelen. Vlekjes plutonium
van Pahute Mesa’s testgebied
sijpelen in het grondwater, uren
            verzamelen het gezag
waarheen het stel zich begeeft.

Onbegrijpelijk is het schreeuwen.
Zij staart verstomd door zijn mond,
die het script uitbraakt dat haar verwondt. Zonder wreedheid
geen circus. Sapkralen aan de orchideebloembladeren. Klifminaretten
onder de mesa. Ondanks toegegeven onderbrekingen, populieren
in rijen langs een kortstondige rivier,
ligt hun waarneming van de wereld in de wereld, in de kattepis-
lucht van salie. De strategie die Wat Je Ver Haalt heet, de twijfel
die het fragment ‘ik geloof in’ onder zich houdt: cultiveren ze die en dwalen ze
            naar gebeuren
zodat lekker onduidelijk wordt?

Vragen wat het betekent. Verlies regeert. Afwezig als winter. Zich vinden
in het aporetische centrum, niet in staat tot antwoorden, vergelen.

            Maar jij, in de glinstering, bijna etherisch,
            ben jij – het stemmetje – niet meer
te raken? Je vingers –
is voelen
hen teveel geworden? Zijn ze contact te ver voorbij om nog te gloeien. Of